donderdag 2 augustus 2012

Harmonie

Behalve tijdens de Olympische Spelen worden we via de sportprogramma's op televisie zelden getrakteerd op een verslag van een roeiwedstrijd. En dat is jammer, want wat een mooie, televisie-genieke sport is dat. De ranke boten die zich een weg door het water klieven door toedoen van synchroon uitgevoerde slagen van de ingezeten roeiers. Het samenspel van armen en benen en de cadans van het slagentempo, ik zit er van te genieten. Ondanks de spanning die het wedstrijdelement met zich meebrengt heeft het kijken naar een roeiwedstrijd iets rustgevends. Ook werkt het kijken ernaar zeer aanstekelijk. Ik krijg iedere keer zin om me in te schrijven bij een roeivereniging om zelf de schoonheid van het glijden door het water te ervaren. Een belachelijk idee natuurlijk, maar het bekruipt me iedere keer weer. Het lijkt me fijn om deze no-nonsense sport te beoefenen, alleen of in een team.


Vorig jaar zomer las ik de novelle 'Over het water' van H. M. van den Brink. In het verhaal denkt de hoofdpersoon terug aan een mooie warme zomer vijf jaar eerder toen hij zich samen met een maat bekwaamde in het (wedstrijd)roeien. Van den Brink weet de harmonie en het evenwicht dat het roeien teweeg brengt goed over te brengen. Een citaat:
Ik zette krachtiger aan. David volgde. Niets was meer droog. Ik voelde hoe mijn hemd zwaar om me heen rimpelde, ik voelde het water in mijn doorweekte schoenen. Ik zag mijn armen als vanzelf naar voren zwaaien en met een gretigheid die ik nog niet kende de riem in het water zetten. Mijn schouders pakten het gewicht gulzig over en mijn benen zetten onmiddellijk af. Moeiteloos verliet het blad aan het eind van de haal het water en beschreef een perfecte kleine boog tussen borst en knieƫn. Mijn hoofd leunde een fractie van een ogenblik genietend achterover voor ik, diep adem scheppend, weer achter mijn armen aan naar voren reed. (....) Ik voerde de intensiteit nog iets verder op, zonder nadenken maar op de manier zoals het hoorde, niet door het tempo te verhogen maar door meer kracht te zetten waarna de beweging vanzelf om een hoger tempo vroeg. David volgde. Het was onnatuurlijk stil om ons heen. Het enige wat we hoorden was de allesdoordringende ruis van de regen en daardoorheen, op de voorgrond, het felle tsjak waarmee we het water pakten en het diepere, enigszins holle geluid waarmee onze bladen precies tegelijk het water weer verlieten. (....) Ik stelde me voor hoe de spitse, met koper beslagen punt van onze boot door het water schoot, even duikend op het moment dat wij onze bladen vasthaakten, dan weer schuin omhoog en voorwaarts bewegend, duikend, versnellend. Langs het gras, langs het riet, als een jonge snoek die nu eens niet wil duiken maar vlak onder de waterspiegel achter een prooi aanjaagt die hem niet meer kan ontgaan,vanuit de donkere diepte nagestaard door het gewone volk van traag happende vissen.


 Heerlijk om zo te kunnen roeien, heerlijk om zo te kunnen schrijven.

Geen opmerkingen: