Op ons aanbellen gaat de deur van het mooie huis voorzichtig open. Tante Alie staart ons verschrikt aan. "Lena wat doe jij hier" vraagt ze aan mijn moeder. Ze is geloof ik niet zo blij om ons te zien. Mijn moeder vertelt waarom we uit Amsterdam vertrokken zijn en legt uit aan Tante dat we nu via de Hervormde Kerk op zoek willen gaan naar een adres waar we een poosje kunnen blijven, totdat de oorlog is afgelopen. Zouden we in de tussentijd hier kunnen overnachten? We mogen voorlopig blijven, onder één voorwaarde: we moeten heel voorzichtig doen. De zoon van Tante Alie en Oom Cor zit namelijk in dit huis ondergedoken.
Oom Cor is een broer van mijn vader's moeder. Hij is kunstschilder en geeft les aan de Academie in Groningen. Oom en Tante leven 'op stand'. Mijn moeder is niet van plan lang bij ze te blijven, ze wil de oudoom en -tante van mijn vader niet tot last zijn en ze vindt Tante Alie een zuurpruim. Tante Alie zorgt wel goed voor ons, elke dag kijk ik uit naar het avondeten, dat is heerlijk, vooral de jus. Mijn moeder zegt altijd dat ik een slechte eter ben, maar dat is nu wel veranderd.
![]() |
| Cornelis Pieter de Wit (1882-1975) |
Mijn moeder wist het adres niet van de familie van mijn vader. We gingen naar de Burgerlijke Stand en daar hebben ze ons verder geholpen. Later heb ik begrepen dat mijn oudoom en -tante erg geschrokken waren dat wij zomaar voor de deur stonden. Hun zoon zat immers ondergedoken en ze hebben natuurlijk al die tijd in angst gezeten dat hij door onze komst niet meer veilig was.
Via de Hervormde Kerk in Groningen werden we doorverwezen naar de Hervormde Gemeente van het nabijgelegen Haren. De dominee van Haren heeft ervoor gezorgd dat we terecht konden bij een boerenfamilie in het dorp. Deze mensen zagen het als hun plicht om mensen in nood te helpen. Mijn moeder zou in ruil voor ons onderdak helpen op de boerderij en in het huishouden. Daar kwam niet veel van terecht. Het kwam er op neer dat ze voornamelijk wat licht huishoudelijk werk deed en hielp bij het koken. De boerin wilde bijvoorbeeld niet dat mijn moeder 's morgens de kolenkachel uithaalde. "Dat is geen werk voor een stadse dame", zei ze. "En der mee uut".
Haren, maart 1945
We wonen op een echte boerderij bij Ome Jan en Tante Bazuin. Ik weet niet wat de voornaam van de boerin is, ik noem haar gewoon bij haar achternaam, zo noemt iedereen haar. Op de zolderverdieping delen mijn moeder en ik een slaapkamer. De boer en boerin zijn hele lieve mensen. Ze hebben twee dochters Geertje en Grietje en ook nog een zoon, maar die woont niet meer thuis. Wel woont hier nog een jongen uit Rotterdam. Wim heet hij en is 16 jaar, hij werkt als boerenknecht. Geertje is van mijn leeftijd, Grietje is 17. Het is hier echt heel leuk, ik kan goed opschieten met beide meisjes en ik ga samen met Geertje naar de christelijke school in het dorp. Het is heerlijk om weer naar school te gaan, ik heb daar ook nog vriendinnetjes. Na schooltijd spelen we steeds om beurten bij elkaar op het erf.
![]() |
| Tante Bazuin |
![]() |
| vriendinnetje Alie |
Oom en Tante Bazuin hebben koeien op stal staan, op het land wordt graan verbouwd en er is een grote moestuin. Ondanks dat de familie voedsel moet afstaan aan de Duitsers is er eten in overvloed, de kelder staat vol met gevulde weckflessen. Er komen veel mensen over de vloer en dan is het een vrolijke boel, vooral als er een borreltje rond gaat. Mijn moeder is dan vaak het middelpunt van de belangstelling.
April 1945
De oorlog zal nu wel snel afgelopen zijn. De Canadezen komen er aan. Ze rijden in tanks door de straten van het dorp, op weg naar Groningen. Daar wordt nog veel tegenstand geboden door de Duitsers die geholpen worden door Nederlandse SS-ers. We horen de hele dag beschietingen en zien tegen de avond richting Groningen de hemel rood kleuren van het vuur in de stad. Op 14 april zijn wij al bevrijd en wordt er feest gevierd in Haren, 's avonds speelt er een bandje in het dorp. Op 16 april is ook de strijd in Groningen over en komt er voor ons echt een einde aan de oorlog. Mijn moeder en ik gaan na een paar dagen naar de Grote Markt in Groningen om het bevrijdingsfeest mee te vieren. Als daar het Wilhelmus wordt gezongen, zingen we natuurlijk mee en ik zie tranen over mijn moeders wangen lopen. Ik begrijp niet zo goed waarom ze nu huilt, ik krijg het er een beetje koud van.
Het wordt nog drukker in de boerderij van Bazuin, want we krijgen 15 Canadezen ingekwartierd. De mannen zorgen voor een uitgelaten stemming, 's avonds wordt er gedanst en mijn moeder doet volop mee. Een van de soldaten heeft erg veel belangstelling voor haar, hij wil haar cadeautjes geven, maar mijn moeder wimpelt hem af.
Mei 1945
Ook Amsterdam is nu eindelijk bevrijd. We weten niet hoe het met mijn vader is. We hebben hem wel bericht gestuurd via het Rode Kruis, een antwoord hebben we nog niet ontvangen.Mijn moeder wil zo snel mogelijk naar huis, maar dat gaat nog niet meteen, er is weinig vervoer en er is nog niet overal vrije doortocht. Ik vind het niet erg dat we nog wat langer op de boerderij blijven, ik heb hier de mooiste tijd van mijn leven.
Van de terugkeer naar Amsterdam kan ik me weinig herinneren. Mijn moeder heeft het voor elkaar gekregen dat ze via de daartoe geëigende instanties de nodige verklaringen kreeg waarmee we zonder problemen zouden kunnen terugkeren naar het westen van het land.
Van de dominee in Haren kreeg ze een briefje mee, gedateerd op 12 mei 1945:
L.S.Ondergetekende, Ned. Herv. predikant te Haren (Gr) verklaart Mevr. Van D. uit Amsterdam persoonlijk te kennen als "een goed Nederlander" en beveelt haar in voorkomende gevallen hartelijk in uw zorg aan.
De plaatselijke commandant van Haren geeft de volgende verklaring af:
De plaatselijke commandant van Haren verleent hierbij toestemming aan Mevrouw Van D. uit Amsterdam P.B.no A35/37978 zich te begeven naar Zwolle tot 1 juni.
Men wordt verzocht haar zoveel mogelijk mee te helpen en mee te nemen in auto's. Haar man werkt in N.B.S (Ned. Binnenlandse Strijdkrachten) Amsterdam.


Van het Gewestelijk Evacuatiebureau "De drie Noordelijke provinciën" in Groningen krijgen we voor ieder van ons een schriftelijke vluchtelingenverklaring mee, gedateerd 2 mei 1945.
De Binnenlandse Strijdkrachten - S.G.(strijdend gedeelte) Afd. Zwolle 3e compagnie VI Peleton stelt op 18 mei het volgende document op:Mevr. H.W. van D-B, geb. 6 april 1909 te Amsterdam, wonende te Amsterdam en haar dochtertje kunnen ongehinderd de IJssel passeeren en doortocht verleend worden naar Amsterdam. Mevr. van D-B voornoemd is politiek zeer betrouwbaar. Haar echtgenoot, de Heer H.C. van D., heeft vanaf Juni 1940 illegaal gewerkt.
Ik verzoek u daarom alle N.B.S. posten en controle-ambtenaren haar alle medewerking te willen verleenen bij het bereiken van haar woonplaats, ten einde bij een nog eventueel in leven zijn van haar echtgenoot, deze behulpzaam te kunnen zijn bij het geven van inlichtingen enz., ter opsporing van S.D. agenten, collaborateurs, enz.
Deze tekst wordt herhaald in het Engels.
Eind mei/ begin juni 1945
Eindelijk zijn we in Amsterdam. We lopen vanaf de Middenweg in Oost onze eigen buurt in en komen langs kruidenier Rous, waar mijn moeder altijd boodschappen deed. De eigenaar stormt naar buiten om ons te begroeten. Hij is zichtbaar blij en verrast ons te zien en kan het nieuws over mijn vader niet voor zich houden. "Weet u dat uw man in de gevangenis heeft gezeten?" vraagt de kruidenier aan mijn moeder". Nee, dat weten wij niet, we weten niet eens of hij weet dat we naar huis komen. We gaan nu snel naar huis om het verhaal van mijn vader zelf te horen.
Mijn vader had van eind maart tot het einde van de oorlog in de gevangenis aan de Weteringschans gezeten. Hij was gearresteerd omdat zijn naam nog vermeld stond op een lijst van de O.D. (Ordedienst), een verzetsbeweging waar mijn vader in het begin van de oorlog toe behoord had. Hij is in de gevangenis verschillende keren ondervraagd, hij moest namen leveren van contacten bij de O.D. Dat hij inmiddels niet meer bij de O.D. zat, maar bij de B.S. was gelukkig niet bekend bij de ondervragers. Mijn vader kon dus daadwerkelijk geen namen van O.D.-ers leveren, dat belette de Duitsers niet om hem onder bedreiging van executie het vuur na aan de schenen te leggen. Bij zijn arrestatie had hij wel adressen op zak van kameraden uit de B.S. Die papiertjes heeft hij tijdens het transport naar de gevangenis op slinkse wijze verfrommeld en opgegeten. Tijdens de arrestatie is er geen huiszoeking gedaan. Was dat wel gebeurd, dan waren er vuurwapens gevonden en een schuilplaats onder de keukenvloer.
Ik heb nog lange tijd gecorrespondeerd met de vriendinnetjes uit Haren. In 1947 is Grietje met haar verloofde bij ons thuis langs geweest. In 1951 ben ik met mijn ouders 14 dagen op vakantie geweest naar de familie Bazuin. Halverwege de jaren '70 heb ik met mijn man en mijn moeder een bezoek gebracht aan 'Tante Bazuin' in het bejaardenhuis.
![]() |
| Mijn moeder en Tante Bazuin bij de boerderij in 1951 |
![]() |
| Geertje en ik in 1951 |
![]() |
| Geertje in 1948 |
Dit is het tweede en laatste deel van het verhaal van mijn moeder (geboren in Amsterdam in 1935) over de laatste oorlogsmaanden. Ik heb haar verhaal geschreven op basis van een interview dat ik kortgeleden met haar heb gehouden. Ook heb ik gebruik gemaakt van een brief van mijn Oma aan haar vriendin in Hilversum uit maart 1945 en van een aantal documenten die mijn Oma bewaard heeft, die betrekking hebben op de beschreven periode. Mijn moeder heeft het verhaal zelf in 1981 al eens opgeschreven voor een opdracht Nederlands van de ‘MoederMavo’, ook dat verslag heb ik geraadpleegd.
Het eerste deel van het verhaal is ook op dit weblog gepubliceerd, op 19 februari 2014.






1 opmerking:
Wederom weer een interessant verhaal ineke! Mooi geschreven ook weer. Liefs larissa
Een reactie posten