zondag 31 oktober 2010

Afterparty

De sporen van feestvreugde zijn 's morgens nog goed zichtbaar op de aanrecht. Ook in de rest van de keuken en op de vloer in de woonkamer zijn tal van aanwijzingen te vinden over wat zich de vorige dag in ons huis heeft afgespeeld. Zo'n 25 mensen, familie en vrienden, waren te gast voor een borrel en een hapje ter ere van de verjaardagen van man en zoon. Een dergelijk feestje vraagt de nodige voorbereiding en daarom sta ik vrijdagavond al een taart te bakken. Op zaterdag doe ik 's morgens de laatste boodschappen, om daarna snel de keuken in te duiken, want er moeten twee hartige taarten, een plaatpizza, twee salades, guacamole, gehaktballetjes en kipsaté gemaakt worden. Het is een race tegen de klok om alles op tijd klaar te krijgen en er tevens voor te zorgen dat ik nog gelegenheid heb om even uit te blazen en me om te kleden. Ondanks de inspanningen die de voorbereiding van zo'n feestje vergen begin ik er toch steeds weer opnieuw aan, omdat de voldoening van een gezellige party in je eigen huis altijd enorm is, zelfs op 'the morning after'. Wat ik doe is de voorwaarden scheppen, de gasten zelf zijn het die de gezelligheid maken. Ik vind het altijd weer een wonder en een genoegen om mee te maken hoe zo'n divers gezelschap (van 8 tot 82 jaar) zich mengt en er geanimeerde gesprekken ontstaan. Dat deze gezelligheid goed is voor de eetlust wordt altijd duidelijk als het buffet wordt geopend. De eettafel die afgeladen staat met allerlei voedsel ziet er binnen de kortste keren uit alsof er een wolk sprinkhanen is langsgekomen. In een spanne tijds van hooguit een half uur is alles waarvoor ik een aantal uren in de keuken heb gestaan op. Dat hierbij ook graag een goed glas geestrijk vocht wordt gedronken zal de lezer al vermoeden: de lege wijn- en bierflessen spreken voor zich. Gelukkig blijft de hoeveelheid daarvan binnen de perken. Het is wel prettig dat we dankzij de wintertijd een uurtje langer in bed mogen blijven liggen. Tenslotte wacht de volgende morgen het overschot van een losbandig leven. Dat wordt afwassen, opruimen, stofzuigen, dweilen..........

woensdag 20 oktober 2010

Vraag en aanbod

Echte schoonheid zit van binnen. Dat kan waar zijn, maar het oog wil ook wat en daarom heb ik deze zomer besloten om vier keer per jaar de schoonheidsspecialiste te bezoeken. Niet dat ik nu ineens mijn wimpers wil laten verven of mijn bovenlip nodig geharst moet worden. Nee, het gaat mij alleen om het verwijderen van ontsierende dingetjes die zich vastzetten in de huid. Een zogenaamde mini- gezichtsbehandeling is het, die evengoed nog bijna een uur duurt.

Het meisje dat mij behandelt is aardig en ze blijkt al op de hoogte van mijn wens om niet aan de wenkbrauwen geëpileerd te willen worden. Dat doe ik namelijk liever zelf omdat ik niet het risico wil lopen met dunne strepen door het leven te moeten. Mijn weigering drie maanden geleden op dit punt kwam mij op een lichtelijk gepikeerde opmerking te staan van de toenmalige schoonheidsspecialiste van dienst. Ze was duidelijk in haar beroepseer aangetast.
Net als ik me een beetje begin te ontspannen, wat niet zo makkelijk is als er ondertussen met geniepige prikjes van alles uit je huid wordt geperst, vraagt het meisje of ik ook oogcrème gebruik. En meteen weet ik weer waarom ik de gang naar de beautysalon jarenlang heb uitgesteld. Ze mogen me met zachte handen, voedende peelings en rustgevende maskers bewerken, maar ze moeten geen lastige vragen stellen die alleen maar kunnen leiden naar het (letterlijk) aansmeren van een product. Een product dat ik volgens de dames toch echt moet gaan gebruiken om mijn arme huid te beschermen tegen het onherroepelijke verval.
Ik vertel gedwee, je ligt er tenslotte toch een beetje onderdanig bij op zo’n luie stoel onder een verwarmde dikke handdoek, dat ik geen oogcrème gebruik. De lieve schoonheidsspecialiste legt me enthousiast uit dat de huid rondom de ogen extra droog is en daardoor gevoelig voor vuil dat zich onder andere uit in gerstekorreltjes. Ze heeft er zojuist een paar ontdekt rond mijn ogen. Ik kan een diepe zucht nog net onderdrukken voordat ik ter verdediging van mijn nalatig gedrag aanvoer dat ik altijd nogal huiverig ben voor allerhande smeersels vanwege mijn tamelijk gevoelige huid. De rode blossen op mijn wangen, die ik al van kindsbeen af heb, zien er misschien wel gezond uit, maar worden toch voornamelijk veroorzaakt door een dunne, naar allergie neigende huid. Voor mij dus geen eau de toilette of crèmes met parfum en andere allergene rommel. Mijn behandelaarster begrijpt het allemaal heel goed en bezweert me dat het zalfje dat ze in de salon gebruiken echt voor alle huidtypen geschikt is. Ze heeft nog nooit meegemaakt dat iemand er last van had. “Weet je wat, ik geef je een paar proefjes mee, dan kan je het gewoon uitproberen” zegt ze op een montere toon, die eigenlijk geen tegenspraak duldt. Lafhartig zeg ik dat het me een uitstekend idee lijkt. En net als drie maanden geleden ga ik heen met een paar monsters die mij hoogst waarschijnlijk niet zullen verleiden tot aankoop van een tube of potje.

In de bibliotheek hebben we al een paar jaar geleden besloten om, in navolging van commerciële bedrijven, meer vraaggericht te werken en niet meer uitsluitend aanbodgericht. Soms vraag ik me af of ‘profit’ bedrijven wel zo vraaggericht werken als zij ons willen doen geloven. Er moet immers verkocht worden en als er geen vraag is, dan wordt die wel gecreëerd. Dat laatste moeten we dus nog leren in de bibliotheek. We moeten ervoor zorgen dat de diensten die we aanbieden zo goed zijn afgestemd op onze klanten dat het lijkt alsof we maatwerk leveren. Als we de klanten daarbij net zo in de watten leggen als in de schoonheidssalon zullen ze vast vaak terugkomen.

zaterdag 9 oktober 2010

Make-over


Voor



















Op deze plek heb ik al vaker mijn verhouding tot huishoudelijk werk verklaard. Kort gezegd: het is niet mijn hobby. Op deze prachtige herfstdag met zomerse trekken zie ik dat de laagstaande zon genadeloos het achterstallig onderhoud aan de ramen blootlegt. Spinnenwebben waar goudgele bladeren in blijven hangen en een onmiskenbaar waas van vuil maken een eens-in-de-zoveel-tijd schoonmaakwoede in mij wakker.
Een groot voordeel van zo'n reinigings-oprisping is dat je echt resultaat ziet. Wat dat betreft geldt: hoe viezer hoe liever.
Nadat ik de noodzakelijke boodschappen voor het weekend heb gehaald en een korte lunch heb genuttigd wil ik aan de slag. M. zal zo thuiskomen van de wekelijkse wandeling met z'n moeder, dus dan kan hij me mooi helpen. Ai, dat valt tegen, daar belt M. met de mededeling dat hij nog even meegaat met mijn 82-jarige schoonmoeder, want er moeten bij haar een paar ramen worden gelapt. Het is er echt de dag voor, blijkbaar.
Gewapend met emmers, sponzen, en een zeemleren lap begin ik met de voorkant van het huis. En direct zie ik iets waar niet aan te ontkomen is. Het afdakje boven de voordeur ziet er niet uit. Omdat ik vanwege mijn geringe lengte het afdakje meestal oversla als ik de ramen lap heeft zich inmiddels een lelijk groenige aanslag vastgezet. Maar deze keer mag het afdakje niet aan sop en doek ontsnappen: het moet dan maar wachten tot M. thuis is.
De voor-, achter- en zijkant van het huis knappen zienderogen op met het verwijderen van de sluiers voor de ramen en en passant veeg ik ook de reeds gevallen bladeren op. Dat laatste is een tamelijk zinloos karweitje in de herfst, maar alla, ik ben nu toch bezig.
Als M. is bijgekomen van de al even noodzakelijk gebleken arbeid bij zijn moeder, bestijgt hij de ladder om het afdakje een schrobbering te geven. Het resultaat is oogverblindend en wordt door mij met de fotocamera vastgelegd bij wijze van een voor/na vergelijking.
 
Na


We staan voldaan het resultaat van ons werk van een afstandje te bewonderen als M's oog valt op de daklijst en regenpijp die in 20 jaar nog niet zijn schoongemaakt. Maar dat huzarenstukje laten we toch nog maar even liggen tot het voorjaar. 

 






woensdag 6 oktober 2010

Vrijheid

Dit stukje zit al een tijdje te draaien. Vanaf het moment dat CDA en VVD zich serieus gingen richten op een coalitie met steun van de PVV voel ik de behoefte om deze ontwikkeling in de Nederlandse politiek hier te becommentariëren. Om mijn verbijstering en zorgen te uiten over het gegeven dat twee partijen die ik, hoewel het niet mijn politieke kleur is, altijd als fatsoenlijk heb beschouwd, zich zo naïef uitleveren aan een beweging die het begrip vrijheid van allerlei voorwaarden voorziet. (Les 1: Hoed u voor bewegingen die het woord vrijheid in hun naam hebben staan) Ik wilde wachten met het schrijven van dit stukje totdat het CDA eindelijk zijn besluit had genomen. Theoretisch was het mogelijk dat de leden van deze partij op tijd in zouden zien dat ze een heilloze weg bewandelen die niet alleen slecht zal uitpakken voor het land, maar ook voor de eigen partij. Omdat het CDA zelden duidelijke keuzes maakt geloofde ik er niet in, maar hoopte er wel op. Tenslotte bleek afgelopen zaterdag dat er wel degelijk CDA-ers zijn die niet verblind worden door het verlangen naar macht, maar wel degelijk vanuit hun principes keuzes maken. Maar goed, het kabinet VVD/CDA met gedoogakkoord (laat ik nou altijd gedacht hebben dat gedogen een linkse hobby was) komt er, dus staat niets mij in de weg mijn bezwaren ertegen te spuien. Echter de argumenten die er zijn tegen deze onzalige constructie zijn al door velen verwoord in diverse media. Ik kan mij natuurlijk ook voegen bij het koor en betogen dat het dom is om te denken dat een beweging als die van Wilders salonfähig gemaakt kan worden door hem in te kapselen. Wilders laat zich niet inkapselen, het is eerder andersom: de partijen die met hem samenwerken zullen hun taalgebruik en ideeën steeds meer op hem afstemmen, uit angst zijn steun te verliezen. Door de gekozen constructie, de PVV zit immers niet in het kabinet, laten de andere partijen zich gijzelen en blijft Wilders buiten schot en kan hij zonder zelf enkele verantwoordelijkheid te nemen, veel invloed uitoefenen.

Nee, al die overige argumenten tegen zal ik maar niet herhalen, het neigt naar preken voor eigen parochie. Wat ik eigenlijk onder woorden wil brengen is, waar nu precies mijn angst voor de politieke toekomst van ons land uit bestaat. Aan een vaag unheimisch gevoel over de ontwikkelingen hebben we (ik) tenslotte niet zoveel.
Nadat ik gisteren de korte column van Arnon Grunberg op de voorpagina van ‘de Volkskrant’ heb gelezen weet ik precies waar het om gaat. Hij schreef over het beroep dat Wilders altijd doet op de vrijheid van meningsuiting het volgende: “Maar een maatschappij waar alles gezegd en geschreven kan worden is geen vrije maatschappij, het is een maatschappij waar het woord niet meer serieus wordt genomen. Een maatschappij in verval dus. “
Een Deense journalist en docent, die sinds drie maanden in Nederland woont, onderstreept vandaag in ‘de Volkskrant’ de woorden van Grunberg in een opiniestuk, waarin hij zijn zorgen uit over de gevolgen die een minderheidskabinet met gedoogsteun van een extreemrechtse partij heeft voor het publieke debat. In Denemarken is er de afgelopen jaren volgens de journalist sprake geweest van radicalisering van het publieke debat met alle gevolgen voor het democratisch gehalte ervan. De journalist eindigt zijn stuk als volgt: “Politici zouden het goede voorbeeld moeten zijn in een sober en democratisch debat zonder subjectieve generalisaties en opmerkingen die neigen naar racisme. Wanneer onze politieke leiders deze democratische toon laten varen, is dat het begin van een algeheel afglijden in onze democratie. En een democratisch publiek debat is moeilijk te herstellen als het eenmaal verloren is gegaan.”

Laat ik voorop stellen dat ik over het algemeen een optimist ben. Maar de laatste tijd dringen pessimistische gedachten over de politiek in Nederland zich bij mij op. Het is goed dat er schrijvers en journalisten zijn die met weinig woorden veel weten te zeggen. Je kunt je er door gesterkt voelen, of je op andere gedachten laten brengen. (Les 2: Lees originele denkers)


zondag 26 september 2010

Telefoongesprek

Plaats: Slaapkamer
Tijdstip: Zondag 01.50 uur
De telefoon gaat vlak boven mijn hoofdkussen. Het is een onheilspellend geluid als je ligt te slapen. Wanneer er 's nachts wordt gebeld is er iets aan de hand. Nog zeer slaperig kijk ik op de wekker voordat ik de telefoon opneem, maar ik neem niet echt waar hoe laat het is.
Ik: "Hallo"?
Stem aan de andere kant van de lijn: "Goedenavond, of eigenlijk goede morgen, mevrouw, u spreekt met -helaas heb ik zijn naam niet onthouden- "van de politie Haarlem".
Hoewel er reden zou zijn om heel erg te schrikken blijf ik doodkalm, het zal de slaperigeheid zijn.
Agent: "Het spijt me dat ik u moet lastig vallen, maar er is een aangifte gedaan door een vriend van uw zoon. De vriend heeft bij een ruzie vanavond klappen opgelopen en heeft daarvan aangifte gedaan. De aangewezen dader ontkent en nu willen we graag uw zoon even spreken, omdat hij getuige is geweest."
Ik: "Mijn zoon woont hier niet meer, hij is een paar weken geleden op zichzelf gaan wonen".
Deze mededeling slaat de agent even uit het veld, maar niet voor lang. Hij doet nog eens zijn verhaal over wat er gebeurd is en betoogt nogmaals dat het toch wel heel belangrijk is dat hij mijn zoon te spreken krijgt. Inmiddels ben ik al wat wakkerder en beginnen mijn hersenen op volle toeren te draaien. De agent noemde de plek waar het voorval had plaatsgevonden en ik kon mij niet voorstellen dat Robert daar deze nacht met een vriend geweest zou zijn. Het is een straat met dure huizen, grenzend aan Haarlem, waar je niet doorheen komt op weg naar een uitgaansgebied en er woont voor zover ik weet geen bekende van Robert. 
Voordat ik de agent het mobiele nummer van Robert ga geven, moet ik eerst meer zekerheid hebben over de herkomst van dit voorval.
Ik: "Hoe was u naam ook alweer en hoe weet ik of ik echt met de politie spreek?"
Agent: "Ik ben...... van de politie Haarlem en ik bel namens de politie Heemstede waar de aangifte is binnengekomen. Normaal gesproken had de politie Heemstede inderdaad bij u aan de deur gestaan, maar ze hebben het heel druk, daarom verlenen wij assistentie, vandaar dat ik u bel." Nog eens vertelt de agent waarom hij zo graag mijn zoon wil spreken.
Ik: "Maar hoe heet mijn zoon dan?" De agent noemt een naam en adres.
Ik : "Dat is mijn zoon niet".
Agent: "Bent u niet mevrouw..... en woont u niet in de.........straat?"
Ik: "Nee, ik ben mevrouw S. en ik woon niet in de ..........straat". Dit gesprek krijgt surrealistische trekken.
Ik: "Welk telefoonnummer heeft u gebeld?" De agent noemt een nummer, waarvan alleen de eerste 4 cijfers gelijk zijn aan ons nummer".
Ik: "U heeft een ander nummer gebeld en dat is......." Ik hoor bijna het schaamrood aan de andere kant van de telefoonlijn op de wangen van de agent verschijnen.
Agent: "Het spijt me verschrikkelijk, mevrouw, ik heb u wakker gebeld, excuses". Gevoelens van opluchting, verbijstering en mededogen voor die arme agent strijden om voorrang. De beste man moet nu weer iemand uit zijn bed bellen. Ik ben niet boos en moet eigenlijk lachen om de enorme spraakverwarring.
Ik: "Ik ben wel blij dat ik me geen zorgen meer hoef te maken om wat er gebeurd is, ik wens u succes met het onderzoek."
Agent: "Ik begreep het al niet dat u zoon niet meer thuiswoont, nogmaals mijn excuses en mijn naam is........., mocht u nog behoefte voelen om maandagochtend met het bureau te bellen, dan weet u met wie u gesproken heeft.
Ik: "Het is niet zo erg, goede nacht". 
Agent: "Dag mevrouw".

Het lukt me pas na geruime tijd weer in slaap te vallen.

zondag 19 september 2010

Uit huis


Voor de laatste keer hoor ik die woensdag de klanken van The Doors de twee trappen van ons huis afrollen. Begeleid door de muziek van de legendarische band uit de sixties is mijn jongste zoon bezig om zijn verhuizing voor te bereiden. Zijn bed moet uit elkaar, het bureau moet ontruimd worden en kleren moeten worden uitgezocht. Hij zal diezelfde dag al slapen op zijn nieuwe adres en dan is het vertrek van het tweede en laatste kind uit het ouderlijk huis een feit.
Toen de oudste zoon ruim anderhalf jaar geleden op zichzelf ging wonen en ook nu weer bij het vertrek van nummer twee wordt mij regelmatig gevraagd of ik het erg vind dat ze niet meer thuiswonen. Als ik dan antwoord dat ik het niet erg vind, heb ik altijd het gevoel dat ik moet uitleggen waarom niet. En eigenlijk weet ik het niet. Het zou heel logisch zijn als ik het wel vervelend zou vinden. Ik ben tenslotte in totaal zo'n 26 jaar bezig geweest met en in beslag genomen door het welzijn van die twee wezens op aarde die me het allerliefste zijn. Als je moeder bent (voor vaders zal het vast ook gelden) zijn je kinderen toch het belangrijkste dat je 'hebt'. Dat is zo als ze klein zijn en dat blijft zo als ze groot zijn. Desondanks heb ik er nooit moeite mee gehad als de jongens een paar dagen gingen logeren of als ik ze ging uitzwaaien voor een schoolreisje. Met de moeders die tot tranen geroerd de bus nakeken heb ik me nooit kunnen vereenzelvigen. Integendeel, ik verheugde me op een vrije dag die ik naar eigen inzicht kon invullen.

Ouders worden niet voorbereid op het vertrek van hun nageslacht. Als het eerste kind zich aandient word je al ver voor de geboorte door deskundigen en mensen in je omgeving ingelicht over alle veranderingen die het hebben van een kind met zich meebrengt. En ook als het kind er eenmaal is laten consultatiebureau, grootouders, vrienden en een leger aan andere deskundigen zich regelmatig horen met goede èn onzinnige, of soms tegenstrijdige adviezen aan de verse moeder (vader krijgt opmerkelijk minder vaak goede raad). Ook de beruchte periode van de puberteit, die lang niet in elk gezin sporen nalaat, kan rekenen op veel belangstelling van al dan niet professionele opvoeders. En daar blijft het dan bij. Het -soms plotselinge- vertrek van het kroost is een vergeten aandachtsgebied in de opvoedingscanon en laat menig ouder in verwarring achter.

Als dan ineens na al die jaren de kinderen je huis verlaten is dat natuurlijk wennen, het is stiller en leger en je gaat je weer meer met jezelf en elkaar bezig houden. Het klinkt vreemd als ik Robert, een dag na zijn verhuizing, op mijn vraag waar hij is door de telefoon hoor antwoorden: 'thuis'. En voor M. is het slikken als hij na een paar klusjes op de nieuwe stek te horen krijgt: 'Nou Pap, ik heb je niet meer nodig, hoor.'
Het is als met het vertrek van de zomer, je kunt er wel om treuren, maar dat is zinloos. Beter is het je te richten op wat gaat komen, het nieuwe seizoen.
Dat neemt niet weg dat ik stiekum wel blij ben met de aankondiging van Robert dat hij voorlopig op zondag komt eten, al is de voornaamste reden daarvoor de wijn tijdens de dis en het gezamenlijk bekijken van Studio Sport.
En The Doors, die draai ik nu zelf weer.

vrijdag 20 augustus 2010

Perfect day



Als ik wakker word, nog voor de wekker gaat, hoor ik dat het regent. Het is geheel conform de weersverwachting van de avond ervoor, dus ik schrik er niet van. Evengoed is het geen fijn geluid als je besloten hebt die dag te gaan fietsen. Een afspraak met mijn zus, enkele weken geleden gemaakt, om op deze dag gezellig samen te fietsen kunnen wij als druk bezette vrouwen niet zomaar verzetten. Daarom hopen we maar dat de rest van de weersverwachting ook uit zal komen en het die middag vanuit het Westen echt gaat opklaren.
We hebben besloten een tocht te fietsen langs landgoederen in Den Haag en omgeving. Omdat het begin- en eindpunt van de route bij het Centraal Station ligt, laten we ons met fiets en al per trein vervoeren naar de Hofstad. Daar aangekomen moet er eerst een sanitaire stop worden ingelast, een uitstekend excuus om een kopje koffie-met-wat-lekkers-erbij te nuttigen.
Het is nog steeds droog als we op de fiets springen om het startpunt van de route te zoeken. Dat blijkt nog niet zo makkelijk, maar als we eenmaal in het Haagse bos fietsen vinden we aansluiting bij de routebeschrijving.
De tocht voert ons langs groene bosachtige gebieden waar adellijke families uit vroeger eeuwen hun landhuizen lieten bouwen, zoals Clingendael, kasteel Oud Wassenaar, Duivenvoorde en Huis ten Bosch. Ook voor de huidige adel (de kroonprins in Eikenhorst) en de nieuwe rijken is het gebied nog steeds aantrekkelijk, ondanks de drukke A/N44. Het aantal villa’s en landhuizen waar we langskomen is niet meer te tellen, evenals de bordjes te koop die opvallend vaak opduiken. Rond twaalf uur begint het zachtjes te regenen, precies zoals de buienradar bij raadpleging voor vertrek al had voorzien. De timing is perfect, want we zijn net afgestapt om een soort theehuisje te bekijken dat verleidelijk langs het fietspad ligt en onze nieuwsgierigheid prikkelt. Het houten gebouwtje zit potdicht, maar op het bordes kunnen we even schuilen. Als we even later weer opstappen wordt het al snel droog en zetten we koers naar Voorschoten, waar we de lunch gebruiken op het terras van het Wapen van Voorschoten.


Dit restaurant ligt aan een leuk oud pleintje, met dorpspomp: Anton Pieck is er niets bij. Klussende mannen bij een winkel aan de overkant en de stadsreiniging maken kortstondig een einde aan de idylle door met hun gereedschap c.q. het ledigen van de glasbakken letterlijk oorverdovend lawaai te produceren.
Het maakt allemaal niets uit voor onze beleving van deze dag. Heerlijk ongecompliceerd een dagje fietsen en tegelijkertijd een beetje bijkletsen, zo simpel kan een mooie dag er uitzien.
Als ik aan het eind van de middag, weer thuisgekomen nog even in de auto spring om de wekelijkse boodschappen in de supermarkt te doen hoor ik op de radio “Walk on the wild side” van Lou Reed en ik moet direct aan dat andere nummer van hem denken, “Perfect day”. Een dag hoeft niet echt perfect te zijn om toch perfect te zijn.

Oh it's such a perfect day,
I'm glad I spent it with you.