In de tas
zitten wat kleren en ons laatste brood. Dat is alles wat mijn moeder bij zich
heeft, als ze met mij, haar enig kind, om 7.00 uur van huis vertrekt, te voet
op weg naar een onbekende bestemming. Ik draag een winterjas en ik heb warme
kousen aan mijn erg dunne benen. Luciferhoutjes, noemt mijn moeder ze. Het is
op deze maandag in februari gelukkig niet koud, het is rustig weer. Ik loop
voor het eerst van mijn leven op klompen. Goede schoenen heb ik niet meer, maar
het is mijn moeder gelukt om voor veel geld nog een paar klompen op de kop te
tikken. Na een uur lopen begint het leren bandje over de wreef van mijn voet te
schuren. De zakdoek die mijn moeder tussen het bandje en mijn voet stopt brengt
wat verlichting.
Ik ging al enige tijd niet meer naar school. Die
winter was er gebrek aan alles, voedsel, kleding, brandstof. Door honger
verzwakt en lusteloos zat ik de hele dag thuis stilletjes op een stoel. Mijn
vader zat in het verzet, bij de BS (Binnenlandse Strijdkrachten) en hij was in
die laatste periode steeds minder thuis. Hij kon niet op pad gaan om voor extra
voedsel te zorgen voor zijn gezin. Mijn moeder stond er alleen voor en zij zag
mij achteruit gaan. Zij had zelf in december 1944 difterie gehad, was daarvan
genezen, maar haar gezondheid was nog zeer broos. Eind 1944 bestond de voedseldistributie uit
een half brood per persoon per week, 400 gram. Er waren gaarkeukens, maar de
kwaliteit en kwantiteit van wat daar te krijgen was, werd steeds minder. Nooit heb
ik toen gedacht: straks gaan we dood van de honger. Als kind van 9 jaar besef
je dat niet. Mijn moeder nam het besluit om zonder man, maar met kind, weg te
gaan, naar ‘de boeren’, naar voedsel en onderdak in een deel van Nederland waar
een bleek en mager stadskind kans had om te overleven.
Van de huisarts en de dominee kreeg ze
aanbevelingsbrieven mee.Op een receptenbriefje schrijft de dokter:
Verzoeke mevr. D. + dochter naar buiten te laten gaan, daar zij vrij ernstig ziek geweest is en het voor hun beider gezondheid wel noodzakelijk is.

De dominee verwoordt het in zijn brief als volgt:
Geachte collega,
Door de
honger in onze stad en de noodtoestand waarin haar gezin is geraakt is mevr.
Van D., Insulindeweg 177 Amsterd.Oost en haar dochtertje Joke van D., op
eigen risico op zoek gegaan naar een gastvrij onderdak waar men haar zou
willen opnemen. Zij is gaarne bereid in de huishouding of wat dan ook mede te
helpen. Daar wij haar persoonlijk, hier in de stad en ook omdat wij niet over
relaties in N.H. beschikken, waar zij eventueel naartoe zou kunnen gaan, kunnen
helpen, doen wij een beroep op u of u haar zoudt willen en kunnen helpen.
Vertrouwende op uw warme harten in deze voor zoovele benarde tijden, bevelen
wij haar ten zeerste aan.

We zijn op weg naar Bussum, of Hilversum en we zijn niet de enigen. Op de Rijksstraatweg beweegt een lange rij sjokkende mensen zich voort. Het vertrek van huis doet me weinig, ik laat het over me heen komen. Mijn moeder is bij me en bij haar voel ik me veilig. Ter hoogte van Weesp stopt een gammele kar met twee oudere Duitsers op de bok. “Waar moeten jullie naar toe?” vragen ze. “Hilversum”, antwoordt mijn moeder, want daar woont Tante Tiny, een vriendin van haar. Toevallig komen de mannen langs deze plaats en wij mogen meerijden op de kar. De mannen zijn best aardig, ze geven ons een homp brood met een dikke plak worst er op. Worst! Dat heb ik lang niet gegeten, een traktatie.
20 februari
Vandaag ben ik jarig, ik ben 10 geworden. Tante
Tiny verrast me door zingend de logeerkamer binnen te komen met een
zelfgemaakte papieren bloem die ik als strik kan dragen. Toch een cadeautje. Tante Tiny heeft kennissen in Baarn waar we ‘s avonds kunnen slapen, dus gaan we weer lopend op weg naar het volgende logeeradres. De familie O. woont in een groot huis waar ze regelmatig mensen die op weg zijn opvangen en ook als wij er aankomen zit de kamer vol. Er gaan borden rond met roggebrood en kaas. Het houdt maar niet op met de lekkernijen.
Iemand vertelt dat er de volgende ochtend heel vroeg een konvooi auto’s vertrekt vanaf de gasfabriek, zoals altijd eenmaal per week, naar het noorden van het land. Als we ons daar melden morgenochtend, dan maken we misschien een kans dat we mee mogen rijden.
21 februari
Midden in de nacht staan we op, zodat we om vier uur bij de gasfabriek kunnen zijn. Ik voel me helemaal niet lekker, mijn moeder denkt dat mijn maag al dat eten ineens niet kan verdragen.
Bij de gasfabriek staat een rij van wel 40 mensen. Er zit
een man achter een loket die, als we aan de beurt zijn allemaal vragen aan mijn
moeder stelt. Mijn moeder is een beetje zenuwachtig en ik voel me steeds
beroerder worden. Op het moment dat mijn moeder de papieren van de dokter en de
dominee laat zien moet ik juist overgeven. De man zet nu snel wat stempels en
zegt dat we mee mogen. Maar hij voegt er nog wel aan toe dat de rit naar
Groningen op eigen risico is.
Om zes uur gaan we op weg, vier vrachtwagens
achter elkaar. Wij zitten met twaalf mensen in de derde auto op lange houten
banken tussen zakken en dozen. Mijn moeder zegt dat we vandaag nog doorrijden
naar Groningen. Het is een zonnige dag. Als we een tijdje onderweg zijn stopt
de chauffeur plotseling en hij roffelt op het raam tussen de cabine en de
laadruimte waar wij zitten. “Allemaal eruit”schreeuwt hij, “daar komen de
Engelsen, snel in de berm”. Het gierende geluid van laag overvliegende
vliegtuigen komt steeds dichterbij. En ik hoor het geratel van mitrailleurvuur.
Mijn moeder gooit zich over mij heen in de berm om me te beschermen. Bang ben
ik niet, maar ik snap er niets meer van, iedereen praat er steeds over dat de
Engelsen en Canadezen bezig zijn ons te bevrijden en nu worden we door ze beschoten.
Na tien minuten verdwijnen de vliegtuigen en kunnen we weer verder. Niemand is
geraakt, maar in de vrachtauto zitten kogelgaten. Later die dag herhaalt het
ritueel zich als we weer worden beschoten en ook nu loopt het goed af.In Zwolle stoppen we bij een slagerij. “Hier krijgen we altijd worst” hoor ik iemand zeggen en inderdaad worden we getrakteerd op een stuk bloedworst. In mijn maag voelt het nog steeds raar, maar ik wil het stuk worst zo graag opeten. De rit naar Groningen duurt lang. Als het al lang donker is komen we eindelijk aan, verkleumd tot op het bot. We worden afgezet bij een school waar in de gymnastiekzaal veel mensen worden opgevangen door het Rode Kruis. Onder de wandrekken liggen strozakken. Wat een heerlijk vooruitzicht om daarop te mogen slapen. Het is lekker warm binnen en we krijgen brood en melk. Als ik op de strozak lig voel ik me zo fijn: het lijkt wel of ik droom. Zo ver van huis zijn we, het is onwerkelijk en ook een beetje avontuurlijk hier zo te liggen met mijn moeder in een gymzaal,tussen allemaal vreemde mensen die ook hun huis hebben verlaten. Hoe zal het morgen gaan?
Wordt vervolgd.
Dit is het
verhaal van mijn moeder (geboren in Amsterdam in 1935) over de laatste oorlogsmaanden.
Ik heb haar verhaal geschreven op basis van een interview dat ik kortgeleden met
haar heb gehouden. Ook heb ik gebruik gemaakt van een brief van mijn Oma aan
haar vriendin in Hilversum uit maart 1945 en van een aantal documenten die mijn
Oma bewaard heeft, die betrekking hebben op de beschreven periode. Mijn moeder
heeft het verhaal zelf in 1981 al eens opgeschreven voor een opdracht Nederlands
van de ‘MoederMavo’, ook dat verslag heb ik geraadpleegd.


