zaterdag 31 mei 2014

Circus Zen


Als ik op vakantie ga neem ik altijd mijn yogamatje mee. Niet omdat ik een fanatieke yogi ben, maar omdat het zo heerlijk is om in de buitenlucht wat yogahoudingen te doen. En dat lukt doorgaans alleen maar in de vakantie. Buiten mijn wekelijkse yogales komt het er eigenlijk niet van om de mat uit te rollen en al helemaal niet in de buitenlucht. Tijdens onze vakantie, zeker als die zich afspeelt in een mediterrane landstreek, grijp ik de gelegenheid om in de ochtenduren, als de zon nog genadig is, wat te
rekken en strekken in de tuin of op het terras van 
ons vakantiehuis of -appartement. Zo de dag te kunnen beginnen geeft een vrij en ontspannen gevoel.





Mijn yogalerares is vanaf 1 april begonnen met een extra les op vrijdagochtend, buiten, als het weer het toelaat. De locatie die ze hiervoor heeft uitgezocht is een openbaar grasveldje op een rustige plek in ons dorp, aan de rand van het bos. Vorige week vrijdag was ik in de gelegenheid een keer mee te doen. De mat op het gras, ruisende bomen, fluitende vogels, een mild zonnetje en fijne oefeningen, dat alles zorgde voor een bijzonder prettige ervaring, die naar meer smaakte.
















Met opnieuw een vrije vrijdag meld ik me deze morgen weer op de afgesproken plek. Hoewel de omstandigheden wat betreft het weer uitstekend zijn, is er een onvoorziene factor die onze les enigszins in de weg zit. Op het veldje is een circus neergestreken. Diverse auto's, kampeerwagens en caravans staan opgesteld. Er heerst nog relatieve rust bij de start van de les, maar na een minuut of vijf verschijnt er een vrachtauto die lange tijd de motor stationair laat draaien. Ik lig met mijn rug naar het gebeuren en probeer het geraas van de auto te negeren. Het valt nog niet mee hier 'Zen' mee om te gaan. Na een kwartier is de auto weg, of in ieder geval is de motor uit. Het circuskamp komt geleidelijk aan tot leven en dat bevordert de rust niet. Een Jack Russell wordt losgelaten en neemt een spurt onze kant op. Hij geniet van zijn vrijheid zoals honden dat gewoon zijn, door zijn behoefte te doen en gaten te graven, gelukkig wel langs de rand van het veldje.


Dat zeven jaar yoga-lessen volgen zijn vruchten afwerpt - met dank aan Sandra-, merk ik als we aan het eind van de les de gebruikelijke ontspanning doen. Het hele circus is geen punt meer, onder de zon en met de begeleidende woorden van de lerares laat ik het vanzelf los.

Daarom gaat die mat weer mee, straks.

maandag 14 april 2014

Opvang

Wanneer ik op maandagochtend bij de trap aankom die naar de personeelsingang leidt komen twee collega's me tegemoet. De fiets van één van hen staat lukraak voor de eerste trede van de trap geparkeerd. De ene collega draagt behoedzaam een plastic bak voor zich uit, die ik herken als een verzamelbox voor oude batterijen. Er zit een aangeslagen jong vogeltje in de bak die hemeltergend zielig naar de drie hoofden boven hem opkijkt. De andere collega, eigenaresse van de fiets, begint opgewonden te  vertellen wat er is gebeurd. Een merel-jong, door een of ander mankement niet meer in staat te bewegen, is terecht gekomen op de fietssleuf die parallel aan de trap naar beneden loopt. Daar trof mijn collega hem aan en ze wist meteen wat haar te doen stond. Dit deerniswekkende wezentje moest gered worden van de kauw, kraai of kat, die hem ongetwijfeld, zodra zij haar hielen had gelicht, te grazen zou nemen.

Nu het vogeltje veilig in de bak zit is het de vraag hoe dit probleem verder op te lossen. Terugzetten in het nest is geen optie, want waar zich dat bevindt is niet bekend. Vader merel hipt rond in het perkje vlakbij, hij zoekt zo te zien zijn kroost en ook dat ontlokt bij mijn twee collega's kreten van medelijden. De twee reddende engelen kijken me vragend aan. Ik vind het ook zielig voor het vogeltje en zijn ouders, maar probeer de dames toch de optie in overweging te geven dat je ook niets kunt doen. Als de vogel gewond is, waar het wel op lijkt, maakt hij waarschijnlijk toch geen schijn van kans. Moet je eigenlijk de natuur in zo'n geval niet zijn gang laten gaan, opper ik voorzichtig. Ze kijken me geringschattend aan, niets doen is duidelijk niet aan de orde laten ze me allebei met stelligheid weten. Dan is er nog maar één mogelijkheid over concluderen we en dat is de dierenambulance bellen. 
Het mereltje wordt in de plastic bak mee naar binnen genomen en krijgt wat eten aangeboden in de vorm van een stukje brood, zacht gemaakt met water. Eenmaal binnen is de gewonde merel al snel het middelpunt van de belangstelling. 
Navraag bij de dierenambulance leert dat het beestje gebracht kan worden bij de Vogelopvang in het dorp. Aangezien beide dierenbeschermsters met de fiets naar het werk zijn gekomen wordt er een andere collega ingeschakeld die dichtbij woont en een auto ter beschikking heeft. 
Anderhalf uur later, in de pauze van een vergadering, horen we de afloop van het verhaal. Het vogeltje bleek zodanig gewond te zijn - gebroken poot - dat er volgens de deskundigen bij de vogelopvang niets anders opzat dan het beestje uit zijn lijden te verlossen.

We kijken door het raam naar beneden en zien in het plantsoentje vader en moeder merel druk in de weer met het begeleiden van nog meer nageslacht, dat het zo te zien ook al moeilijk heeft. Het huisvestingsbeleid van dit vogelpaar lijkt erg ongelukkig uit te vallen.

Deze merel had jaren geleden in onze tuin een beter plekje gevonden

 

woensdag 5 maart 2014

Kind in de oorlog, deel 2: Politiek betrouwbaar

Groningen, 22 februari 1945

Op ons aanbellen gaat de deur van het mooie huis voorzichtig open. Tante Alie staart ons verschrikt aan. "Lena wat doe jij hier" vraagt ze aan mijn moeder. Ze is geloof ik niet zo blij om ons te zien. Mijn moeder vertelt waarom we uit Amsterdam vertrokken zijn en legt uit aan Tante dat we nu via de Hervormde Kerk op zoek willen gaan naar een adres waar we een poosje kunnen blijven, totdat de oorlog is afgelopen. Zouden we in de tussentijd hier kunnen overnachten? We mogen voorlopig blijven, onder één voorwaarde: we moeten heel voorzichtig doen. De zoon van Tante Alie en Oom Cor zit namelijk in dit huis ondergedoken.
Oom Cor is een broer van mijn vader's moeder. Hij is kunstschilder en geeft les aan de Academie in Groningen. Oom en Tante leven 'op stand'. Mijn moeder is niet van plan lang bij ze te blijven, ze wil de oudoom en -tante van mijn vader niet tot last zijn en ze vindt Tante Alie een zuurpruim. Tante Alie zorgt wel goed voor ons, elke dag kijk ik uit naar het avondeten, dat is heerlijk, vooral de jus. Mijn moeder zegt altijd dat ik een slechte eter ben, maar dat is nu wel veranderd.

Cornelis Pieter de Wit (1882-1975)

Mijn moeder wist het adres niet van de familie van mijn vader. We gingen naar de Burgerlijke Stand en daar hebben ze ons verder geholpen. Later heb ik begrepen dat mijn oudoom en -tante erg geschrokken waren dat wij zomaar voor de deur stonden. Hun zoon zat immers ondergedoken en ze hebben natuurlijk al die tijd in angst gezeten dat hij door onze komst niet meer veilig was.
Via de Hervormde Kerk in Groningen werden we doorverwezen naar de Hervormde Gemeente van het nabijgelegen Haren. De dominee van Haren heeft ervoor gezorgd dat we terecht konden bij een boerenfamilie in het dorp. Deze mensen zagen het als hun plicht om mensen in nood te helpen. Mijn moeder zou in ruil voor ons onderdak helpen op de boerderij en in het huishouden. Daar kwam niet veel van terecht. Het kwam er op neer dat ze voornamelijk wat licht huishoudelijk werk deed en hielp bij het koken. De boerin wilde bijvoorbeeld niet dat mijn moeder 's morgens de kolenkachel uithaalde. "Dat is geen werk voor een stadse dame", zei ze. "En der mee uut".

Haren, maart 1945

We wonen op een echte boerderij bij Ome Jan en Tante Bazuin. Ik weet niet wat de voornaam van de boerin is, ik noem haar gewoon bij haar achternaam, zo noemt iedereen haar. Op de zolderverdieping delen mijn moeder en ik een slaapkamer. De boer en boerin zijn hele lieve mensen. Ze hebben twee dochters Geertje en Grietje en ook nog een zoon, maar die woont niet meer thuis. Wel woont hier nog een jongen uit Rotterdam. Wim heet hij en is 16 jaar, hij werkt als boerenknecht. Geertje is van mijn leeftijd, Grietje is 17. Het is hier echt heel leuk, ik kan goed opschieten met beide meisjes en ik ga samen met Geertje naar de christelijke school in het dorp. Het is heerlijk om weer naar school te gaan, ik heb daar ook nog vriendinnetjes. Na schooltijd spelen we steeds om beurten bij elkaar op het erf.
Tante Bazuin
vriendinnetje Alie



















Oom en Tante Bazuin hebben koeien op stal staan, op het land wordt graan verbouwd en er is een grote moestuin. Ondanks dat de familie voedsel moet afstaan aan de Duitsers is er eten in overvloed, de kelder staat vol met gevulde weckflessen. Er komen veel mensen over de vloer en dan is het een vrolijke boel, vooral als er een borreltje rond gaat. Mijn moeder is dan vaak het middelpunt van de belangstelling.

April 1945

De oorlog zal nu wel snel afgelopen zijn. De Canadezen komen er aan. Ze rijden in tanks door de straten van het dorp, op weg naar Groningen. Daar wordt nog veel tegenstand geboden door de Duitsers die geholpen worden door Nederlandse SS-ers. We horen de hele dag beschietingen en zien tegen de avond richting Groningen de hemel rood kleuren van het vuur in de stad. Op 14 april zijn wij al bevrijd en wordt er feest gevierd in Haren,  's avonds speelt er een bandje in het dorp. Op 16 april is ook de strijd in Groningen over en komt er voor ons echt een einde aan de oorlog. Mijn moeder en ik gaan na een paar dagen naar de Grote Markt in Groningen om het bevrijdingsfeest mee te vieren. Als daar het Wilhelmus wordt gezongen, zingen we natuurlijk mee en ik zie tranen over mijn moeders wangen lopen. Ik begrijp niet zo goed waarom ze nu huilt, ik krijg het er een beetje koud van.
Het wordt nog drukker in de boerderij van Bazuin, want we krijgen 15 Canadezen ingekwartierd. De mannen zorgen voor een uitgelaten stemming, 's avonds wordt er gedanst en mijn moeder doet volop mee. Een van de soldaten heeft erg veel belangstelling voor haar, hij wil haar cadeautjes geven, maar mijn moeder wimpelt hem af.

Mei 1945

Ook Amsterdam is nu eindelijk bevrijd. We weten niet hoe het met mijn vader is. We hebben hem wel bericht gestuurd via het Rode Kruis, een antwoord hebben we nog niet ontvangen.

Mijn moeder wil zo snel mogelijk naar huis, maar dat gaat nog niet meteen, er is weinig vervoer en er is nog niet overal vrije doortocht. Ik vind het niet erg dat we nog wat langer op de boerderij blijven, ik heb hier de mooiste tijd van mijn leven.











Van de terugkeer naar Amsterdam kan ik me weinig herinneren. Mijn moeder heeft het voor elkaar gekregen dat ze via de daartoe geëigende instanties de nodige verklaringen kreeg waarmee we zonder problemen zouden kunnen terugkeren naar het westen van het land.
Van de dominee in Haren kreeg ze een briefje mee, gedateerd op 12 mei 1945:
L.S.
Ondergetekende, Ned. Herv. predikant te Haren (Gr) verklaart Mevr. Van D. uit Amsterdam persoonlijk te kennen als "een goed Nederlander" en beveelt haar in voorkomende gevallen hartelijk in uw zorg aan.

De plaatselijke commandant van Haren geeft de volgende verklaring af:
De plaatselijke commandant van Haren verleent hierbij toestemming aan Mevrouw Van D. uit Amsterdam  P.B.no A35/37978 zich te begeven naar Zwolle tot 1 juni.
Men wordt verzocht haar zoveel mogelijk mee te helpen en mee te nemen in auto's. Haar man werkt in N.B.S (Ned. Binnenlandse Strijdkrachten) Amsterdam.











Van het Gewestelijk Evacuatiebureau "De drie Noordelijke provinciën" in Groningen krijgen we voor ieder van ons een schriftelijke vluchtelingenverklaring mee, gedateerd 2 mei 1945.








De Binnenlandse Strijdkrachten - S.G.(strijdend gedeelte) Afd. Zwolle 3e compagnie VI Peleton stelt op 18 mei het volgende document op:
Mevr. H.W. van D-B, geb. 6 april 1909 te Amsterdam, wonende te Amsterdam en haar dochtertje kunnen ongehinderd de IJssel passeeren en doortocht verleend worden naar Amsterdam. Mevr. van D-B voornoemd is politiek zeer betrouwbaar. Haar echtgenoot, de Heer H.C. van D., heeft vanaf Juni 1940 illegaal gewerkt.
Ik verzoek u daarom alle N.B.S. posten en controle-ambtenaren haar alle medewerking te willen verleenen bij het bereiken van haar woonplaats, ten einde bij een nog eventueel in leven zijn van haar echtgenoot, deze behulpzaam te kunnen zijn bij het geven van inlichtingen enz., ter opsporing van S.D. agenten, collaborateurs, enz.
Deze tekst wordt herhaald in het Engels.



Eind mei/ begin juni 1945

Eindelijk zijn we in Amsterdam. We lopen vanaf de Middenweg in Oost onze eigen buurt in en komen langs kruidenier Rous, waar mijn moeder altijd boodschappen deed. De eigenaar stormt naar buiten om ons te begroeten. Hij is zichtbaar blij en verrast ons te zien en kan het nieuws over mijn vader niet voor zich houden. "Weet u dat uw man in de gevangenis heeft gezeten?" vraagt de kruidenier aan mijn moeder". Nee, dat weten wij niet, we weten niet eens of hij weet dat we naar huis komen. We gaan nu snel naar huis om het verhaal van mijn vader zelf te horen.

Mijn vader had van eind maart tot het einde van de oorlog in de gevangenis aan de Weteringschans gezeten. Hij was gearresteerd omdat zijn naam nog vermeld stond op een lijst van de O.D. (Ordedienst), een verzetsbeweging waar mijn vader in het begin van de oorlog toe behoord had. Hij is in de gevangenis verschillende keren ondervraagd, hij moest namen leveren van contacten bij de O.D. Dat hij inmiddels niet meer bij de O.D. zat, maar bij de B.S. was gelukkig niet bekend bij de ondervragers. Mijn vader kon dus daadwerkelijk geen namen van O.D.-ers leveren, dat belette de Duitsers niet om hem onder bedreiging van executie het vuur na aan de schenen te leggen. Bij zijn arrestatie had hij wel adressen op zak van kameraden uit de B.S. Die papiertjes heeft hij tijdens het transport naar de gevangenis op slinkse wijze verfrommeld en opgegeten. Tijdens de arrestatie is er geen huiszoeking gedaan. Was dat wel gebeurd, dan waren er vuurwapens gevonden en een schuilplaats onder de keukenvloer.  

Ik heb nog lange tijd gecorrespondeerd met de vriendinnetjes uit Haren. In 1947 is Grietje met haar verloofde bij ons thuis langs geweest. In 1951 ben ik met mijn ouders 14 dagen op vakantie geweest naar de familie Bazuin. Halverwege de jaren '70 heb ik met mijn man en mijn moeder een bezoek gebracht aan 'Tante Bazuin' in het bejaardenhuis.

Mijn moeder en Tante Bazuin bij de boerderij in 1951
Geertje en ik in 1951


Geertje in 1948




 
Dit is het tweede en laatste deel van het verhaal van mijn moeder (geboren in Amsterdam in 1935) over de laatste oorlogsmaanden. Ik heb haar verhaal geschreven op basis van een interview dat ik kortgeleden met haar heb gehouden. Ook heb ik gebruik gemaakt van een brief van mijn Oma aan haar vriendin in Hilversum uit maart 1945 en van een aantal documenten die mijn Oma bewaard heeft, die betrekking hebben op de beschreven periode. Mijn moeder heeft het verhaal zelf in 1981 al eens opgeschreven voor een opdracht Nederlands van de ‘MoederMavo’, ook dat verslag heb ik geraadpleegd. 
Het eerste deel van het verhaal is ook op dit weblog gepubliceerd, op 19 februari 2014.








 

woensdag 19 februari 2014

Kind in de oorlog, deel 1: Naar buiten

Amsterdam, 19 februari 1945

In de tas zitten wat kleren en ons laatste brood. Dat is alles wat mijn moeder bij zich heeft, als ze met mij, haar enig kind, om 7.00 uur van huis vertrekt, te voet op weg naar een onbekende bestemming. Ik draag een winterjas en ik heb warme kousen aan mijn erg dunne benen. Luciferhoutjes, noemt mijn moeder ze. Het is op deze maandag in februari gelukkig niet koud, het is rustig weer. Ik loop voor het eerst van mijn leven op klompen. Goede schoenen heb ik niet meer, maar het is mijn moeder gelukt om voor veel geld nog een paar klompen op de kop te tikken. Na een uur lopen begint het leren bandje over de wreef van mijn voet te schuren. De zakdoek die mijn moeder tussen het bandje en mijn voet stopt brengt wat verlichting.
Ik ging al enige tijd niet meer naar school. Die winter was er gebrek aan alles, voedsel, kleding, brandstof. Door honger verzwakt en lusteloos zat ik de hele dag thuis stilletjes op een stoel. Mijn vader zat in het verzet, bij de BS (Binnenlandse Strijdkrachten) en hij was in die laatste periode steeds minder thuis. Hij kon niet op pad gaan om voor extra voedsel te zorgen voor zijn gezin. Mijn moeder stond er alleen voor en zij zag mij achteruit gaan. Zij had zelf in december 1944 difterie gehad, was daarvan genezen, maar haar gezondheid was nog zeer broos.  Eind 1944 bestond de voedseldistributie uit een half brood per persoon per week, 400 gram. Er waren gaarkeukens, maar de kwaliteit en kwantiteit van wat daar te krijgen was, werd steeds minder. Nooit heb ik toen gedacht: straks gaan we dood van de honger. Als kind van 9 jaar besef je dat niet. Mijn moeder nam het besluit om zonder man, maar met kind, weg te gaan, naar ‘de boeren’, naar voedsel en onderdak in een deel van Nederland waar een bleek en mager stadskind kans had om te overleven.
Van de huisarts en de dominee kreeg ze aanbevelingsbrieven mee.
Op een receptenbriefje schrijft de dokter:

Verzoeke mevr. D. + dochter naar buiten te laten gaan, daar zij vrij ernstig ziek geweest is en het voor hun beider gezondheid wel noodzakelijk is.

De dominee verwoordt het in zijn brief als volgt:
Geachte collega,
Door de honger in onze stad en de noodtoestand waarin haar gezin is geraakt is mevr. Van D., Insulindeweg 177 Amsterd.Oost en haar dochtertje Joke van D., op eigen risico op zoek gegaan naar een gastvrij onderdak waar men haar zou willen opnemen. Zij is gaarne bereid in de huishouding of wat dan ook mede te helpen. Daar wij haar persoonlijk, hier in de stad en ook omdat wij niet over relaties in N.H. beschikken, waar zij eventueel naartoe zou kunnen gaan, kunnen helpen, doen wij een beroep op u of u haar zoudt willen en kunnen helpen. Vertrouwende op uw warme harten in deze voor zoovele benarde tijden, bevelen wij haar ten zeerste aan.













We zijn op weg naar Bussum, of Hilversum en we zijn niet de enigen. Op de Rijksstraatweg beweegt een lange rij sjokkende mensen zich voort. Het vertrek van huis doet me weinig, ik laat het over me heen komen. Mijn moeder is bij me en bij haar voel ik me veilig. Ter hoogte van Weesp stopt een gammele kar met twee oudere Duitsers op de bok. “Waar moeten jullie naar toe?” vragen ze. “Hilversum”, antwoordt mijn moeder, want daar woont Tante Tiny, een vriendin van haar. Toevallig komen de mannen langs deze plaats en wij mogen meerijden op de kar. De mannen zijn best aardig, ze geven ons een homp brood met een dikke plak worst er op. Worst! Dat heb ik lang niet gegeten, een traktatie.
Tante Tiny is stomverbaasd als we ineens voor de deur staan. Ze staat juist te koken en we worden met open armen ontvangen. Ze vindt het maar een waagstuk wat wij doen. We krijgen een heerlijke maaltijd met vlees(!) er bij en we mogen slapen in het logeerkamertje.

20 februari
Vandaag ben ik jarig, ik ben 10 geworden. Tante Tiny verrast me door zingend de logeerkamer binnen te komen met een zelfgemaakte papieren bloem die ik als strik kan dragen. Toch een cadeautje.
Tante Tiny heeft kennissen in Baarn waar we ‘s avonds kunnen slapen, dus gaan we weer lopend op weg naar het volgende logeeradres. De familie O. woont in een groot huis waar ze regelmatig mensen die op weg zijn opvangen en ook als wij er aankomen zit de kamer vol. Er gaan borden rond met roggebrood en kaas. Het houdt maar niet op met de lekkernijen.
Iemand vertelt dat er de volgende ochtend heel vroeg een konvooi auto’s vertrekt vanaf de gasfabriek, zoals altijd eenmaal per week, naar het noorden van het land. Als we ons daar melden morgenochtend, dan maken we misschien een kans dat we mee mogen rijden.

21 februari

Midden in de nacht staan we op, zodat we om vier uur bij de gasfabriek kunnen zijn. Ik voel me helemaal niet lekker, mijn moeder denkt dat mijn maag al dat eten ineens niet kan verdragen.

Bij de gasfabriek staat een rij van wel 40 mensen. Er zit een man achter een loket die, als we aan de beurt zijn allemaal vragen aan mijn moeder stelt. Mijn moeder is een beetje zenuwachtig en ik voel me steeds beroerder worden. Op het moment dat mijn moeder de papieren van de dokter en de dominee laat zien moet ik juist overgeven. De man zet nu snel wat stempels en zegt dat we mee mogen. Maar hij voegt er nog wel aan toe dat de rit naar Groningen op eigen risico is.
Om zes uur gaan we op weg, vier vrachtwagens achter elkaar. Wij zitten met twaalf mensen in de derde auto op lange houten banken tussen zakken en dozen. Mijn moeder zegt dat we vandaag nog doorrijden naar Groningen. Het is een zonnige dag. Als we een tijdje onderweg zijn stopt de chauffeur plotseling en hij roffelt op het raam tussen de cabine en de laadruimte waar wij zitten. “Allemaal eruit”schreeuwt hij, “daar komen de Engelsen, snel in de berm”. Het gierende geluid van laag overvliegende vliegtuigen komt steeds dichterbij. En ik hoor het geratel van mitrailleurvuur. Mijn moeder gooit zich over mij heen in de berm om me te beschermen. Bang ben ik niet, maar ik snap er niets meer van, iedereen praat er steeds over dat de Engelsen en Canadezen bezig zijn ons te bevrijden en nu worden we door ze beschoten. Na tien minuten verdwijnen de vliegtuigen en kunnen we weer verder. Niemand is geraakt, maar in de vrachtauto zitten kogelgaten. Later die dag herhaalt het ritueel zich als we weer worden beschoten en ook nu loopt het goed af.

In Zwolle stoppen we bij een slagerij. “Hier krijgen we altijd worst” hoor ik iemand zeggen en inderdaad worden we getrakteerd op een stuk bloedworst. In mijn maag voelt het nog steeds raar, maar ik wil het stuk worst zo graag opeten. De rit naar Groningen duurt lang. Als het al lang donker is komen we eindelijk aan, verkleumd tot op het bot. We worden afgezet bij een school waar in de gymnastiekzaal veel mensen worden opgevangen door het Rode Kruis. Onder de wandrekken liggen strozakken. Wat een heerlijk vooruitzicht om daarop te mogen slapen. Het is lekker warm binnen en we krijgen brood en melk. Als ik op de strozak lig voel ik me zo fijn: het lijkt wel of ik droom. Zo ver van huis zijn we, het is onwerkelijk en ook een beetje avontuurlijk hier zo te liggen met mijn moeder in een gymzaal,tussen allemaal vreemde mensen die ook hun huis hebben verlaten. Hoe zal het morgen gaan?

Wordt vervolgd.

Dit is het verhaal van mijn moeder (geboren in Amsterdam in 1935) over de laatste oorlogsmaanden. Ik heb haar verhaal geschreven op basis van een interview dat ik kortgeleden met haar heb gehouden. Ook heb ik gebruik gemaakt van een brief van mijn Oma aan haar vriendin in Hilversum uit maart 1945 en van een aantal documenten die mijn Oma bewaard heeft, die betrekking hebben op de beschreven periode. Mijn moeder heeft het verhaal zelf in 1981 al eens opgeschreven voor een opdracht Nederlands van de ‘MoederMavo’, ook dat verslag heb ik geraadpleegd.  

maandag 10 februari 2014

Mannen over de vloer

Als ik 's avonds thuiskom en boven nieuwsgierig ga kijken, lijkt het of de badkamer veranderd is in een 'plaats delict'. Het vertrek is verboden terrein.
Zodra er werkmannen binnen komen ben je te gast in je eigen huis. Elke keer als er iets in huis gerepareerd moet worden, waarbij er hulp van buiten nodig is, ervaar ik hetzelfde: je eigen stek is ineens niet meer van jou. Het is natuurlijk een zegen wanneer een probleem verholpen wordt door kundige handen. Dat je daarvoor een aantal dagen overlast hebt in de vorm van herrie, stof en ander ongemak moet je daarom geduldig over je heen laten komen. Nu ontvingen we de mannen echter met open armen, ik kon ze wel zoenen, want ze kwamen ons verlossen van een hardnekkig probleem.   
Vier weken geleden kwam er, na veel soebatten, dreigen en klachten van onze kant richting de vastgoedorganisatie waarvan wij een huis huren, eindelijk beweging in de zaak. We hadden een afspraak voor renovatie van de badkamer.
Sinds maart vorig jaar hebben we last van lekkage vanuit de badkamer. Dat heeft in de hal beneden hele bijzondere kunstwerken opgeleverd, absoluut uniek in vorm en uitvoering.

 





In het voorjaar en de zomer van 2013 werd onderzoek gedaan naar de herkomst van al dat vocht. De CV werd aan een inspectie onderworpen, de druk in de waterleiding werd gecheckt en er werd zelfs een gat geboord in de hal richting keuken, zodat er met een camera gegluurd kon worden naar een vermeende boosdoener. Het leverde niets op, maar telkens vond het water weer zijn weg en ontstond er een nieuwe vlek in het plafond.
Tijdens een hittegolf in juli werd de badkamer voor de helft  gesloopt, het lek was letterlijk boven: de afvoer van de douche en de tegelwand naast de douche bleken de schuldigen, althans daar leek het verdacht veel op. Afvoer vervangen, wand opnieuw betegeld, douchecabine weer geplaatst en het plafond bijgewerkt. Wij blij, want na reiniging van de badkamer konden we weer douchen en de wasmachine gebruiken.
Het ging twee maanden goed. Totdat we op een dag in september, we waren net terug van twee weken vakantie, een nieuwe vochtplek ontdekten, die zich in razend tempo uitbreidde.
Er kwam na onze melding weer een (andere) man kijken die foto's maakte en die na veel heen en weer gebel met z'n baas, mij vertelde dat hij ging pleiten voor een volledige renovatie van de badkamer. "Maar ik kan het niet beloven" liet hij er voor de zekerheid nog op volgen, de verhuurder moest dat voorstel wel goedkeuren. Dat begreep ik uiteraard, maar dat zijn woorden in zekere zin profetisch zouden blijken, kon ik toen niet vermoeden. Dat was eind september.
De goedkeuring duurde een slordige vier maanden, waarin de schade en onze ergernis almaar groter werd.
Twee mannen met een vet Leids accent, een oude rot en een jong manusje van alles, hebben anderhalve week heel hard gewerkt, tussendoor genietend van koffie/rookpauzes. ("Tegenwoordig krijg je bijna nergens koffie meer, hoor mevrouw").












Dinsdag was de klus geklaard, resultaat: een gerenoveerde badkamer en wc beneden, die namen ze in één moeite door meteen mee. Allebei als nieuw en nu, na ons schoonmaak- en inrichtingsweekend ook weer geheel gebruiksklaar. Nou ja, bijna dan, de beide toiletpotten doen nog niet helemaal waar ze voor gemaakt zijn....
En het plafond beneden? "Daarvoor komen we later terug". Ik kijk er nu al naar uit.



donderdag 30 januari 2014

Goede voornemens

Tot een paar jaar geleden was de bibliotheek het muurbloempje dat niemand opmerkte en waar zeker niet over gepraat of geschreven werd in de media. De laatste tijd daarentegen mag de branche waarin ik werk zich verheugen over de grote aandacht in de landelijke pers. Onlangs nog een artikel in Vrij Nederland waarin Carel Peeters een pleidooi houdt voor het behoud van de bibliotheek. De aanleiding voor al die belangstelling komt grotendeels voort uit de vraag of er nog een toekomst is voor de bibliotheek en hoe die er dan uit zou moeten zien.

De plaatselijke openbare bibliotheken worden gefinancierd door de gemeente. Gelden uit lidmaatschap en sponsoring zorgen voor ongeveer 20% van de inkomsten, 80% komt van 'gemeenschapsgeld'. Sinds de financiële crisis is vertaald in bezuinigingen op allerlei voorzieningen is ook de bibliotheek de dans niet ontsprongen. In de meeste gemeenten heeft de bibliotheek een kleinere, maar in veel gevallen een forse vermindering van de subsidie aangezegd gekregen. Het opvangen van de teruglopende inkomsten wordt vaak gevonden in het sluiten van vestigingen en het aanpassen van de dienstverlening, door bijvoorbeeld op bepaalde tijden onbemande openingsuren te hanteren. Het mag duidelijk zijn dat deze maatregelen ten koste gaat van de werkgelegenheid in de sector. Vele collega's in het land zagen hun tijdelijke contracten niet verlengd, of werden na lange jaren dienstverband boventallig.
De bezuinigingen werken als kathalysator voor veranderingen in de branche, gedwongen door minder inkomsten moeten er creatieve oplossingen gezocht worden om te overleven. Al langer waren we in bibliotheekland bezig met een herijking van ons werk. Internet, de digitalisering en de enorme concurrentie van andere vormen van vrijetijdsbeleving hebben gezorgd voor nieuwe initiatieven en voorzichtige innovatie.     
Zo hebben we in de bibliotheek waar ik werk twee jaar geleden besloten om onze dienstverlening aan het basisonderwijs te vernieuwen en aan de slag te gaan met een nieuwe aanpak voor structurele samenwerking, landelijk ontwikkeld als de Bibliotheek op school.
In het kort komt de aanpak neer op doelgerichte samenwerking tussen school en bibliotheek op het gebied van taalontwikkeling, leesbevordering en mediawijsheid van kinderen. Het doel is kinderen te stimuleren meer te lezen, op school en thuis, teneinde taalachterstand en op de loer liggende laaggeletterdheid te voorkomen. Bibliotheek en basisonderwijs waren altijd al partners op het gebied van leesbevordering en met de Bibliotheek op school(dBos) gaan we een grote stap verder.

De aanpak is gericht op aantoonbare en meetbare verbetering van lezen,taal en informatie- en mediavaardigheden bij leerlingen. Een school die mee gaat doen aan dBos krijgt onder meer de beschikking over een up to date collectie boeken in school, 120 uur expertise op het gebied van leesbevordering en mediawijsheid door middel van de inzet van een leesconsulent vanuit de bibliotheek en deelname aan de monitor, het meetinstrument voor leesgedrag.
Zelden heeft een goed voornemen zo goed uitgepakt. Vorige week woensdag werd de vierde Bibliotheek op school geopend in Katwijk, de gemeente waar ik werk. En elke keer is het weer een feest om te zien hoe enthousiast de kinderen en leerkrachten zijn als ze ontdekken welke schat ze in huis hebben gekregen.

Deze week organiseerden we in de eerste school die vorig jaar werd aangesloten een inspiratiemiddag voor het onderwijs. We mochten ruim 40 deelnemers verwelkomen die we in een gevarieerd programma lieten kennismaken met de aanpak van de Bibliotheek op school, door middel van een inhoudelijk verhaal en de enthousiaste ervaringen van leerkrachten die al werken met dBos. De reacties van de deelnemers na afloop van de bijeenkomst waren zeer bemoedigend. Er hebben zich al kandidaten gemeld: scholen die vanaf het nieuwe schooljaar graag mee willen doen aan dBos.
Het is fijn om na anderhalf jaar heel hard werken nu te kunnen oogsten. Een grote pluim voor alle collega's die hieraan hebben bijgedragen!

Ondanks bezuinigingen hebben wij ervoor gekozen toch fors te investeren in deze nieuwe aanpak. Omdat het noodzakelijk is kinderen plezier in lezen te laten beleven en om de maatschappelijke meerwaarde van de (fysieke) bibliotheek te versterken. Want bibliotheken zijn onmisbaar, in de woorden van eerder genoemde Carel Peeters: De fysieke bibliotheek is een culturele huiskamer buiten de deur, een openbare plek waar je binnen kunt lopen en in alle rust kennis kunt vergaren. Een hedendaagse agora, ‘het kloppend hart van de kennissamenleving’.
Het zou een mooi item en goed voornemen kunnen worden voor politieke partijen in de komende gemeenteraadsverkiezingen.

maandag 30 december 2013

As time goes by


Er zijn weken, wat zeg ik, maanden dat ik er niet kom, maar vanmorgen moest ik even naar de stomerij om wat kleding weg te brengen. Onlangs had ik in het voorbij fietsen gezien dat de zaak was verhuisd naar een kleiner pand aan de overkant van de straat. Desgevraagd hoorde ik van de medewerker achter de toonbank dat ze al drie maanden op hun nieuwe plek zitten. Ik heb er niets van gemerkt, hoewel ik toch gemiddeld twee maal per week door de winkelstraat in ons dorp fiets, loop of rijd.
Drie maanden, een jaar, het is om voor je het weet. De verjaardag van onze trouwdag gisteren, bracht ons terug naar de late jaren zeventig. 2014 staat al bijna op uitkomen en ik moet er nog aan wennen dat het 2013 is. Het is voor mijn gevoel nog niet zo lang geleden dat we in afwachting waren van een nieuwe eeuw, maar dat ligt inmiddels ook alweer 15 jaar achter ons. Zo aan het eind van het jaar worden mijn gedachten onwillekeurig beheerst door het ongrijpbare van de tijd, een universeel thema dat dichters, schrijvers, filosofen en natuurkundigen al veelvuldig hebben getracht in woorden te vatten. Op het moment dat ik dit schrijf hoor ik in de Top 2000 "Time in a bottle" van Jim Croce - nee, dit verzin ik niet, om een bekende columniste te parafraseren.

Als kind wil je dat de tijd snel gaat. Het kan je niet vlug genoeg gaan om groot te worden, jarig te zijn, school achter je te laten, volwassen te worden. Eenmaal meerderjarig en zelfstandig ben je vaak op zoek naar die fles om de tijd in te stoppen, een rem om af en toe even op te trappen, zodat het wat minder hard gaat.
Het is niet voor niets dat films waarin gespeeld wordt met de dimensie tijd populair zijn ('Back to the future', bijvoorbeeld). Het is verleidelijk om te fantaseren over de mogelijkheid de tijd te kunnen beïnvloeden, waarbij we direct beseffen hoe griezelig dat ook zou kunnen zijn.
Soms vinden we een gat in de tijd als we door muziek, foto's, verhalen of eigen herinneringen even terug gaan in de tijd. Gisteren gebeurde dat toen onze zoons de foto-albums bekeken van hun 35 jaar geleden overleden Opa, die ze nooit gekend hebben. Mijn schoonmoeder had ze voor ze meegenomen, het zijn albums uit de tijd dat mijn schoonvader als jonge man in Indonesië verbleef vanwege de politionele acties. Veel foto's heeft hij van commentaar voorzien, wat voor onze jongens de gelegenheid bood om een beetje kennis te maken met hun onbekende Opa. Om ook te ontdekken dat hun Opa tijdens zijn verblijf in 'Indië' jonger was dan onze jongste zoon (27 jaar) nu.

Dit jaar is voor mijn gevoel in een flits voorbij gegaan en werd gekenmerkt door "te weinig tijd". Te weinig tijd om te schrijven voor dit blog, te weinig tijd om een goed boek te lezen, te weinig tijd om onze langeafstandswandeling af te ronden, te weinig tijd om naar het (Rijks)museum te gaan.
Is dat erg? Nee, er zijn nu eenmaal perioden dat je zo in beslag wordt genomen door je werk, of door andere besognes dat je al je aandacht daarvoor nodig hebt. Zolang je maar zorgt dat er evengoed voldoende ontspanningsmogelijkheden zijn (voor mij: zingen, volleyballen, tennissen, yoga) kun je het gebrek aan tijd relativeren.
Want tijd is een relatief begrip. Hoewel ik de relativiteitstheorie nog steeds niet helemaal snap, zelfs niet als die wordt uitgelegd door mijn favoriete wetenschapper Robbert Dijkgraaf, weet ik wel dat onze tijdbeleving relatief is. Het is de kunst de onbekende zee van tijd die voor je ligt op je eigen wijze in te vullen en te beleven, met oog voor je omgeving. Die kunst probeer ik me ook in 2014 verder eigen te maken.
Veel of weinig tijd, maak er wat van. Gelukkig Nieuwjaar!